Next
Aanmelden digitale nieuwsbrief
Onduidelijkheid over gebruiksvergoeding voormalige echtelijke woning (21-02-2011)
In echtscheidingen wordt het voorlopig (voortgezet ) gebruik van de echtelijke woning doorgaans aan één van partijen toegekend. De rechter kan het gebruik van de woning aan één van partijen toewijzen, tot een half jaar na de datum van echtscheiding. Tegelijkertijd kan de rechter bepalen dat de partij aan wie dit voortgezet gebruik werd toegewezen, aan de andere partij de helft van de waarde van het gebruik als vergoeding voor gemist genot of
gebruik dient te betalen. De vraag of een dergelijke vergoeding verschuldigd is hangt af van de omstandigheden van het geval.
In haar op 8 december 2010 gewezen beschikking, heeft de rechtbank te Amsterdam geoordeeld, dat de vrouw de helft van het fictief rendement van de overwaarde aan de man dient te betalen. De rechtbank heeft in dat verband
overwogen, dat een rendement van 4% over belegd vermogen op grond van de economische situatie thans niet haalbaar is.De rechtbank gaat darom uit van een percentage van 2,5 %. Vervolgens overweegt de rechtbank dat zij het redelijk vindt om rekening te houden met het feit dat twee van de drie kinderen van partijen nog in de woning wonen. Om die reden halveert de rechtbank het betreffende bedrag vervolgens.
Het gerechtshof `s-Gravenhage, heeft in zijn arrest van 7 mei 2008 geoordeeld, dat de vergoeding moet worden geacht te strekken ter compensatie van het gemis van gebruik en genot van de echtelijke woning, welke aan beide echtgenoten in gelijke mate toekomen. Dit impliceert, dat de derving van rente op zichzelf geen grond voor toekenning van de onderhavige vergoeding kan vormen.
Het Hof heeft het in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk geacht om het gemis van het gebruik en genot van de echtelijke woning voor de vrouw, over de betreffende periode, te waarderen op 4% van de helft van de overwaarde van de echtelijke woning op jaarbasis.
Uitgaande van de tussen partijen vaststaande overwaarde van € 55.109,50 heeft het Hof het nadeel voor de vrouw becijferd op € 183,70 per maand. Op grond van het feit dat de man sedert eind 2005 tot aan de op 21 mei 2007 nog niet gerealiseerde vermogensrechtelijke afwikkeling, alle eigenaarslasten van de echtelijke woning heeft voldaan, heeft het Hof besloten de door de man verschuldigde vergoeding op nihil te bepalen.
Uit het vorenstaande blijkt, dat de vorengenoemde gerechten een verschillende grondslag hanteren, voor wat betreft de berekening van de eventueel verschuldigde gebruiksvergoeding.
gebruik dient te betalen. De vraag of een dergelijke vergoeding verschuldigd is hangt af van de omstandigheden van het geval.
In haar op 8 december 2010 gewezen beschikking, heeft de rechtbank te Amsterdam geoordeeld, dat de vrouw de helft van het fictief rendement van de overwaarde aan de man dient te betalen. De rechtbank heeft in dat verband
overwogen, dat een rendement van 4% over belegd vermogen op grond van de economische situatie thans niet haalbaar is.De rechtbank gaat darom uit van een percentage van 2,5 %. Vervolgens overweegt de rechtbank dat zij het redelijk vindt om rekening te houden met het feit dat twee van de drie kinderen van partijen nog in de woning wonen. Om die reden halveert de rechtbank het betreffende bedrag vervolgens.
Het gerechtshof `s-Gravenhage, heeft in zijn arrest van 7 mei 2008 geoordeeld, dat de vergoeding moet worden geacht te strekken ter compensatie van het gemis van gebruik en genot van de echtelijke woning, welke aan beide echtgenoten in gelijke mate toekomen. Dit impliceert, dat de derving van rente op zichzelf geen grond voor toekenning van de onderhavige vergoeding kan vormen.
Het Hof heeft het in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk geacht om het gemis van het gebruik en genot van de echtelijke woning voor de vrouw, over de betreffende periode, te waarderen op 4% van de helft van de overwaarde van de echtelijke woning op jaarbasis.
Uitgaande van de tussen partijen vaststaande overwaarde van € 55.109,50 heeft het Hof het nadeel voor de vrouw becijferd op € 183,70 per maand. Op grond van het feit dat de man sedert eind 2005 tot aan de op 21 mei 2007 nog niet gerealiseerde vermogensrechtelijke afwikkeling, alle eigenaarslasten van de echtelijke woning heeft voldaan, heeft het Hof besloten de door de man verschuldigde vergoeding op nihil te bepalen.
Uit het vorenstaande blijkt, dat de vorengenoemde gerechten een verschillende grondslag hanteren, voor wat betreft de berekening van de eventueel verschuldigde gebruiksvergoeding.





















