|
Raad voor de Kinderbescherming haalt bakzeil inzake het dertienjarige meisje Laura Vanwege het voornemen van het dertienjarige meisje Laura om een solozeiltocht om de wereld te maken en het feit dat haar ouders dit voornemen ondersteunden, heeft de Raad voor de Kinderbescherming te Utrecht een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank aldaar. Door middel van dit verzoekschrift werd de rechtbank gevraagd om Laura voorlopig onder voogdij te plaatsen van het Bureau Jeugdzorg Utrecht, terwijl subsidiair, voor het geval dat de rechtbank niet bereid zou zijn om Laura onder voogdij te plaatsen, werd gevraagd om Laura voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing bij moeder te verlenen. Het gaat in deze zaak om voorlopige maatregelen die vooruitlopen op definitieve kinderbeschermingsmaatregelen. T.a.v. de gevorderde voorlopige voogdij heeft de rechtbank overwogen, dat de eerste vraag die op grond van de wet in dit verband moet worden beantwoord is of de ouders kan worden verweten dat zij de verzorging of opvoeding van het kind op grove wijze verwaarlozen door na te laten hun kind te verbieden haar zeilplannen uit te voeren. De rechtbank overweegt dat de solo zeiltocht om de wereld, die het kind als bijna veertienjarig meisje voor ogen staat, een ontegenzeggelijk gewaagde en risicovolle onderneming is. Voorts oordeelt de rechtbank, dat het enkele feit dat het perspectief van de vader zo verschilt van dat van de Raad, niet impliceert dat vader als slechte ouder het ernstige verwijt van grove verwaarlozing kan worden gemaakt. Dit mede gelet op de grote betrokkenheid van vader bij de zeilplannen van zijn kind, en de door hem geschapen randvoorwaarden met betrekking tot de reis. De vader heeft daardoor invulling gegeven aan zijn ouderlijke verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van zijn kind en zijn plicht om de ontwikkeling van haar persoonlijkheid en veiligheid te bevorderen. De rechtbank komt t.a.v. het primaire verzoek tot de conclusie, dat wat betreft de vader de gronden voor toewijzing van de maatregel van voorlopige voogdij niet aan de orde zijn. De rechtbank ziet echter wel gronden om de subsidiair verzochte voorlopige ondertoezichtstelling over het kind uit te spreken. Het gaat om een dringend en onverwijld noodzakelijke spoedmaatregel, hangende het onderzoek naar de vraag of er sprake van is dat het kind zodanig opgroeit dat haar zedelijke of geestelijke belangen of haar gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Op grond van de beschikbare informatie gaat de rechtbank er vooralsnog van uit dat de psychische ontwikkeling en gezondheid van het kind gevaar kunnen lopen als zij binnenkort weg zou gaan en dat haar ontwikkeling alsdan ernstig wordt bedreigd. Het ondernemen van de solo zeezeilreis van twee jaar met alle risicovolle factoren vandien, wijkt zozeer af van wat een gemiddeld bijna veertienjarig meisje wat betreft ontwikkelingsniveau aankan en heeft zodanige invloed op de ontwikkelingstaken van een gemiddeld meisje van die leeftijd, dat een ernstige ontwikkelingsbedreiging kan worden verondersteld. Een voorlopige ondertoezichtstelling is naar het oordeel van de rechtbank dan ook op zijn plaats. Of daarna een definitieve ondertoezichtstelling moet volgen, staat voor de rechtbank niet vast. Dit is afhankelijk van het in de tussentijd uit te voeren nader onderzoek naar ondermeer de ontwikkeling van het kind, de vraag of zij de reis psychisch kan doorstaan en of zij in staat is om door middel van zelfstudie HAVO 3 en 4 te volbrengen. Ter terechtzitting van 26 oktober 2009 zal het verzoek tot de definitieve ondertoezichtstelling worden behandeld , mede op basis van de alsdan beschikbare onderzoeksgegevens. Het door de Raad voor de Kinderbescherming gedane verzoek tot uithuisplaatsing, werd tenslotte eveneens afgewezen.
|